EJK - gebruik en troubleshooting

Waar wil je hulp bij?

Je EJK fuel controller vertelt met acht LED’s wat er gebeurt: welke zone actief is, welke waarde je instelt en of er een injectorsignaal ontbreekt. Met de uitleg en animaties hieronder herken je het verschil en weet je wat je kunt controleren.

Eerst jouw toepassing, dan de instelling. Niet iedere EJK heeft dezelfde functies, kanalen of instelmodi. Gebruik deze pagina om het display te begrijpen en de handleiding van jouw specifieke module voor aansluitingen, aanbevolen startwaarden en de betekenis van aanvullende modi. De GIF’s zijn illustraties; de exacte snelheid en duur kunnen in de praktijk verschillen.

1. Een probleem oplossen

Kijk niet alleen naar de kleur, maar ook naar de positie, het knipperpatroon en het moment waarop de weergave verschijnt.

Geen voeding — alle LED’s uitAlle acht LED’s zijn uit. Zonder voeding is dit normaal.

Verwacht je wel verlichting? Controleer dan de voeding, massa en aansluitingen volgens de handleiding van jouw EJK. De aangeleverde EJK-uitleg noemt een voeding van 9–12 volt en een correcte massa op de juiste ingangen. Blijven alle LED’s uit terwijl de aansluiting klopt, dan kan de module defect zijn. Sluit niet op goed geluk spanning aan op onbekende draden.

Geen voeding — alle LED’s uit: Alle acht LED’s zijn uit. Zonder voeding is dit normaal.
Geen injectorsignaal op kanaal 1LED 1 knippert groen en LED 8 knippert rood.

Bij contact aan kan de module al voeding krijgen terwijl er nog geen injectorpulsen zijn. Deze weergave kan dan normaal zijn. Ook bij gas loslaten kan de ECU bij sommige voertuigen de injectoren tijdelijk uitschakelen. Blijft de melding aanwezig wanneer je wel een injectorsignaal verwacht, controleer dan de stekkers van kanaal 1 en de kabelboom op een losse verbinding of draadbreuk.

Geen injectorsignaal op kanaal 1: LED 1 knippert groen en LED 8 knippert rood.
Geen injectorsignaal op kanaal 2LED 2 knippert groen en LED 8 knippert rood.

Dit wijst volgens de EJK-uitleg op een aansluitprobleem bij kanaal 2, bijvoorbeeld een losse stekker of een onderbreking in de kabelboom. Controleer, voor zover dit kanaal op jouw toepassing aanwezig is, de connector met een groene draad met grijze streep en een rode draad, en de connector met een volledig grijze draad en een rode draad. Vergelijk de draadkleuren altijd met jouw toepassingshandleiding.

Geen injectorsignaal op kanaal 2: LED 2 knippert groen en LED 8 knippert rood.
Geen injectorsignaal op kanaal 3LED 3 knippert groen en LED 8 knippert rood.

Controleer de aansluiting en kabelboom van kanaal 3 op losse verbindingen of een draadbreuk. De EJK-uitleg noemt de connector met een rode draad met blauwe streep en een rode draad, plus de connector met een volledig blauwe draad en een rode draad. Deze controle geldt alleen voor toepassingen waarop dit kanaal aanwezig is; de bijbehorende handleiding blijft leidend.

Geen injectorsignaal op kanaal 3: LED 3 knippert groen en LED 8 knippert rood.
Geen injectorsignaal op kanaal 4LED 4 knippert groen en LED 8 knippert rood.

Controleer de aansluiting en kabelboom van kanaal 4 op losse verbindingen of een draadbreuk. De EJK-uitleg noemt de connector met een witte draad met groene streep en een rode draad, plus de connector met een volledig groene draad en een rode draad. Gebruik de handleiding van jouw toepassing om de juiste connectoren te identificeren.

Geen injectorsignaal op kanaal 4: LED 4 knippert groen en LED 8 knippert rood.

2. LED’s begrijpen tijdens normaal gebruik

Deze weergaven laten zien wat de controller tijdens bedrijf doet. Een kleur is op zichzelf geen foutcode.

Opstarten — groene LED loopt heen en terugEen groene LED loopt van positie 1 naar 8 en terug.

Deze opstartweergave kan enkele seconden zichtbaar zijn zodra de module voeding krijgt. De duur verschilt per toepassing; bij sommige toepassingen verschijnt de loop helemaal niet. Het ontbreken van deze animatie is daarom op zichzelf geen bewijs van een storing.

Opstarten — groene LED loopt heen en terug: Een groene LED loopt van positie 1 naar 8 en terug.
Geen basiszone actiefAlleen LED 1 knippert heel langzaam groen.

De controller functioneert, maar geen van de drie basiszones — groen, geel of rood — is actief. Een wijziging in die basiszones heeft op dat moment geen effect op de brandstofaanpassing. Dit komt bijvoorbeeld voor bij toepassingen waarvoor geen extra brandstofregeling bij stationair draaien nodig is. Het knipperen is duidelijk langzamer dan in de instelmodus.

Geen basiszone actief: Alleen LED 1 knippert heel langzaam groen.
Groene basiszone actiefEen of meer LED’s branden continu groen.

Het aantal brandende LED’s kan veranderen met de motorbelasting. Zolang de groene zone actief is, kun je de brandstofaanpassing van deze zone wijzigen via de groene instelmodus. De animatie laat een voorbeeld van toenemende en afnemende belasting zien; de balk is hier geen afleesbare instelwaarde.

Groene basiszone actief: Een of meer LED’s branden continu groen.
Gele basiszone actiefEen of meer LED’s branden continu geel.

De gele zone is actief. Het aantal brandende LED’s varieert met de motorbelasting. Via de gele instelmodus wijzig je de brandstofaanpassing voor deze zone. Welke rijomstandigheden en overgangen bij jouw module bij deze zone horen, controleer je in de toepassingshandleiding.

Gele basiszone actief: Een of meer LED’s branden continu geel.
Rode basiszone actiefEen of meer LED’s branden continu rood.

De rode basiszone is actief; rood is in deze weergave dus geen foutmelding. Het aantal brandende LED’s kan met de belasting veranderen. De rode instelmodus regelt de brandstofaanpassing voor deze zone. Let op het verschil met een knipperende rode LED op positie 8 in combinatie met een groen knipperende kanaal-LED.

Rode basiszone actief: Een of meer LED’s branden continu rood.
Optionele zone actief — blauw op positie 8LED 8 brandt blauw naast de actuele groene, gele of rode basiszone.

Afhankelijk van de toepassing kan blauw een optionele functie aangeven, zoals spanningsregeling, boost, nitrous-regeling of een acceleratiepompfunctie. Bij een acceleratiepomp kan dit heel kort zichtbaar zijn. Bij een boosttoepassing kan de blauwe indicatie helpen beoordelen of de druksensor reageert. De GIF toont een groene basiszone met een optionele zone die in- en uitschakelt; hieruit volgt niet welke functie jouw module heeft.

Optionele zone actief — blauw op positie 8: LED 8 brandt blauw naast de actuele groene, gele of rode basiszone.
Meerdere basiszones tegelijk actiefDe LED’s wisselen tussen verschillende kleuren, hier groen en geel.

Bij enkele toepassingen mag een basiszone blijven bijregelen terwijl een andere zone actief wordt. Normaal schakelt geel de groene zone uit; bij deze uitzondering blijven beide actief en wisselt het display tussen groen en geel. De brandstofaanpassing van beide zones kan dan effect hebben. Ook rood/geel, rood/groen en rood/geel/groen zijn volgens EJK mogelijk. De GIF toont alleen het groen/gele voorbeeld.

Meerdere basiszones tegelijk actief: De LED’s wisselen tussen verschillende kleuren, hier groen en geel.

3. Instellingen aanpassen

Begin bij de bediening of het aflezen van de waarde. Open daarna het instelvoorbeeld dat je wilt bekijken.

Hoe bedien je de EJK-controller?

Voor het aanpassen van de lichtinstellingen heb je geen computersoftware nodig. De module heeft drie knoppen: min (−), MODE en plus (+). De controller moet voeding hebben om instellingen te kunnen wijzigen.

  1. Noteer je uitgangswaarden. Begin met de aanbevolen instellingen voor jouw module en toepassing. Die kunnen aangepast moeten worden aan de modificaties van je motor.
  2. Druk op MODE. Je komt in de instelmodus: een of meer LED’s gaan knipperen.
  3. Kies de modus. Druk opnieuw op MODE om door de beschikbare modi te gaan. Er kunnen maximaal zes modi aanwezig zijn.
  4. Wijzig de waarde. Met plus en min verplaats je de lichtinstelling. De knoppen zijn gevoelig; controleer na iedere druk welke waarde werkelijk wordt getoond.
  5. Laat alle knoppen los. Na enkele seconden zonder bediening verlaat de controller de instelmodus, bewaart de instelling automatisch en keert terug naar de normale bedrijfsweergave.

De instellingen kunnen worden aangepast terwijl de controller actief is. Bedien de knoppen alleen wanneer dat veilig kan; concentreer je tijdens het rijden op het verkeer.

LED-posities en halve stappen: zo lees je de waarde

De acht LED’s zijn genummerd van 1 tot en met 8. Een enkele knipperende LED geeft normaal een hele waarde aan. Knipperen twee naast elkaar liggende LED’s, dan neem je de linker positie en tel je er 0,5 bij op. De uitzondering is 0,5: alleen LED 1 knippert, maar tweemaal zo snel als bij stand 1.

De opgegeven reeks is: 0,5 · 1 · 1,5 · 2 · 2,5 · 3 · 3,5 · 4 · 4,5 · 5 · 5,5 · 6 · 6,5 · 7 · 7,5 · 8.

Modus Herkenning bij instellen Betekenis
GRN — groen Groen knipperend Brandstofaanpassing groene basiszone
YEL — geel Geel knipperend Brandstofaanpassing gele basiszone
RED — rood Rood knipperend Brandstofaanpassing rode basiszone
GB — groen/blauw Groen met blauw op LED 8 Toepassingsafhankelijke functie
YB — geel/blauw Geel met blauw op LED 8 Toepassingsafhankelijke functie
RB — rood/blauw Rood met blauw op LED 8 Toepassingsafhankelijke functie

Een instellingenreeks wordt in de modusvolgorde genoteerd, bijvoorbeeld GRN-2, YEL-3.5, RED-5, GB-2, YB-4, RB-4.5. Dit is uitsluitend een leesvoorbeeld, geen aanbevolen afstelling voor jouw motor. Op de hoogste stand kunnen de instelkleur en blauw op dezelfde LED 8 afwisselen.

Een actieve balk is geen instelwaarde. Tijdens normaal bedrijf kan het aantal continu brandende LED’s veranderen met de motorbelasting. In de instelmodus lees je de waarde af aan de knipperende LED-posities.
Instelmodus — groen op stand 2LED 2 knippert groen.

Je bevindt je in de groene instelmodus en de ingestelde waarde is 2. Gebruik plus of min om de waarde te veranderen. Knipperen geeft hier de instelwaarde aan; continu brandende LED’s tijdens normaal bedrijf geven een actieve zone weer. Wacht enkele seconden zonder een knop aan te raken om de instelmodus te verlaten en de waarde automatisch op te slaan.

Instelmodus — groen op stand 2: LED 2 knippert groen.
Instelmodus — groen op stand 0,5LED 1 knippert groen, tweemaal zo snel als bij stand 1.

Stand 0,5 heeft een eigen knippersnelheid om hem te onderscheiden van stand 1. Beide gebruiken LED 1. Kijk dus niet alleen naar de positie, maar ook naar het tempo. Deze animatie toont stand 0,5; het is geen afwisselende demonstratie van 0,5 en 1.

Instelmodus — groen op stand 0,5: LED 1 knippert groen, tweemaal zo snel als bij stand 1.
Instelmodus — geel op stand 1,5LED’s 1 en 2 knipperen samen geel.

De linker knipperende LED geeft de hele waarde aan. Doordat de volgende LED ook knippert, tel je 0,5 op: 1 + 0,5 = 1,5. Je wijzigt in deze modus de brandstofaanpassing van de gele zone. Met plus en min verplaats je de instelling.

Instelmodus — geel op stand 1,5: LED’s 1 en 2 knipperen samen geel.
Instelmodus — rood op stand 4,5LED’s 4 en 5 knipperen samen rood.

De eerste knipperende positie is 4 en de volgende LED knippert mee. De instelling is daarom 4,5. Je hebt nu controle over de brandstofaanpassing van de rode zone. Gebruik plus of min en laat vervolgens enkele seconden alle knoppen los om automatisch op te slaan.

Instelmodus — rood op stand 4,5: LED’s 4 en 5 knipperen samen rood.
Instelmodus — groen/blauw op stand 5,5LED’s 5 en 6 knipperen groen; LED 8 knippert blauw mee.

De groene LED’s geven stand 5,5 aan. De blauwe LED op positie 8 laat zien dat het om de groen/blauwe instelmodus gaat. De functie van deze modus verschilt per toepassing: raadpleeg jouw handleiding voordat je de waarde verandert. Blauw op positie 8 is hier een modusindicator, geen tweede instelwaarde.

Instelmodus — groen/blauw op stand 5,5: LED’s 5 en 6 knipperen groen; LED 8 knippert blauw mee.
Instelmodus — rood/blauw op stand 8Alleen LED 8 wisselt tussen rood en blauw.

Dit is de rood/blauwe instelmodus op de maximale stand 8. Omdat de instelwaarde en de blauwe modusindicator dezelfde LED gebruiken, wisselen de kleuren op positie 8. Welke functie je hiermee instelt, hangt af van de toepassing. Gebruik daarvoor de specifieke EJK-handleiding.

Instelmodus — rood/blauw op stand 8: Alleen LED 8 wisselt tussen rood en blauw.

Veelgestelde vragen

Betekent een rode LED altijd een storing?

Nee. Continu rode LED’s kunnen aangeven dat de rode basiszone actief is. Een rood knipperende LED op positie 8 samen met een groen knipperende LED op positie 1, 2, 3 of 4 geeft een ontbrekend injectorsignaal op het betreffende kanaal aan. Een rode LED kan daarnaast bij een instelmodus horen.

Waarom verschijnt “No signal” zodra ik het contact aanzet?

Bij kanaal 1 kan dit normaal zijn: de controller en injectoren krijgen voeding, maar er worden nog geen injectorpulsen gegenereerd. Beoordeel of de melding verdwijnt zodra de motor daadwerkelijk een injectorsignaal levert. Blijft hij staan terwijl je wel pulsen verwacht, controleer dan de installatie.

Waarom zie ik kanaal 1 soms bij gas loslaten?

Sommige ECU’s onderbreken de inspuiting tijdens deceleratie. Daardoor kan het signaal tijdelijk ontbreken. De omstandigheden en het verdwijnen van de melding zijn belangrijker dan één kort zichtbaar patroon.

Waarom lijkt het aanpassen van een basiszone niets te doen?

Controleer of die zone actief is. Als geen basiszone actief is, herkenbaar aan heel langzaam groen knipperen op positie 1, heeft een wijziging in die zones op dat moment geen effect. Welke instellingen passend zijn, hangt af van jouw toepassing.

Zijn groen, geel en rood vaste toerentalgebieden?

Je kunt uit deze display-uitleg geen vaste toerentalgrenzen afleiden. De bron beschrijft actieve zones waarvan het aantal brandende LED’s met de motorbelasting varieert. Gebruik de toepassingshandleiding voor de werking en overgangen van jouw module.

Kan ik de voorbeeldwaarden van deze pagina overnemen?

Nee, de getallen zijn bedoeld om het display te leren lezen. Gebruik de aanbevolen startwaarden voor jouw module en motorconfiguratie. Een hogere waarde is niet automatisch een betere afstelling.

Wat moet ik doen als ik per ongeluk een modus of stap oversla?

De knoppen zijn gevoelig. Controleer de kleur en LED-posities na iedere druk, ga met MODE naar de juiste modus en corrigeer de waarde met plus of min. Laat daarna enkele seconden alle knoppen los om de instelling op te slaan.

Wat betekenen GB, YB en RB op mijn motor?

Dit zijn de groen/blauwe, geel/blauwe en rood/blauwe instelmodi. De functies verschillen per toepassing en zijn niet op iedere module hetzelfde. De blauwe indicatie vertelt je in welke soort modus je zit, maar niet welke functie jouw uitvoering daarmee regelt.

Kom je er niet uit? We kijken met je mee.

Stuur ons het merk, model en bouwjaar van je motor, het EJK-artikelnummer, je huidige instellingen en eventuele aanpassingen aan uitlaat of inlaat. Een korte video van de LED’s en een beschrijving van het moment waarop de melding verschijnt helpen ons gericht mee te denken.

Neem contact op met GeGShop